Van de voorzitter: Tegen water

Tijdje geleden was op de zaterdagavond bij de EO ‘ Als de dijken breken’ op de televisie. Voor wie het heeft gemist: een ‘eens in de honderd jaar’ storm bleek een ‘eens in de honderdduizend jaar’ kracht te hebben en ergens in Zuid-Holland stroomde de Noordzee het land in, tot diep voorbij Utrecht. Een uitgestelde evacuatie van de bevolking verandert in een spontane paniekvlucht en vele mensen, gestrand op de snelwegen, verdrinken in grote aantallen. Vele anderen zitten opgesloten in de bovenverdiepingen van hun huizen en wachten op hulp die amper of niet komt. Een echte megaramp zoals we die in Nederland alleen kennen van de televisie in verre buitenlanden, afgezien van Zeeland in 1953. 

De nasleep van een dergelijke catastrofe is een langgerekte. In het televisieprogramma wordt rekening gehouden met een jaar voordat het water weer uit de straten is. Het land is failliet. Ons economisch kerngebied, de Randstad, is volledig kapot. Wat er daar aan bedrijven is, fungeert niet meer. Geen werk meer, geen bezit, geen omzet, geen belastinginkomsten. Het ‘voortzettingsvermogen’ van de Nederlandse samenleving is totaal weggevaagd; de te plegen inspanning doet de wederopbouw van na de Tweede Wereldoorlog verbleken.

Hoe reëel is deze dreiging, hoe reëel is dit scenario? Hoe aannemelijk is het dat een dergelijke overstroming in Nederland nu, in deze tijd plaats zal vinden? Wat zouden we moeten doen om ons daar tegen te beschermen, gesteld dat onze huidige bescherming onvoldoende is? Welke kosten zijn gemoeid met die maatregelen? Is het ons dat waard? 

De thema’s van de Tweede Kamer verkiezingen in maart 2017 waren heel divers. Het gaat over veiligheid, inkomensverdeling, overheidsuitgaven en economische ontwikkeling, duurzaamheid, onze rol en plaats in de wereld, migratie, zorg en vergrijzing, verkeer – belangrijke onderwerpen en uitdagingen voor onze gemeenschap. En natuurlijk klimaatverandering. Stijging van de zeespiegel. 

Natuurlijk moeten we er alles aan doen om de klimaatverandering tegen te gaan. Maar laten we het succes daarvan niet afwachten. Laten we ons nationaal buigen over het belangrijkste vraagstuk dat wij ons in Nederland moeten stellen: zijn wij nog veilig achter onze dijken? 

Ons openbaar bestuur is gebouwd op het fundament van de bescherming tegen de zee aan onze kust en tegen de rivieren die ons binnenland doorsnijden. Ons protobestuur, ons oudste stuk openbaar bestuur zijn de waterschappen en hoogheemraadschappen. Voor veel mensen zijn het obscure onderdelen, maar in feite vormen ze het hart van het Nederlandse overheidsbestel. Het eerste dat we samen organiseerden, het eerste dat onze voorouders en voorgangers samen hier op dit land aanpakten was de bescherming tegen het water. 

Stel dat Willem de Zwijger, vader des vaderlands vandaag zou zien wat er van zijn kind is geworden, dan zou hij zien dat zijn land onvoorstelbaar welvarend is geworden, dat we hier op deze plek een ondenkbare waarde met elkaar hebben gecreëerd in de eeuwen sindsdien. Het moeras Nederland is een van de rijkste landen van de planeet geworden. En het kan zo weer veranderen in het moeras dat het was. Deze waarde moeten we beschermen tegen de belangrijkste bedreiging: water.

Het wordt tijd om die bescherming tegen het water opnieuw te beschouwen. Niet om de organisaties die dat verzorgen ter discussie te stellen, maar om ter discussie te stellen waarom zij wat op welke manier doen. Zijn de dijken sterk genoeg? Hebben we genoeg gedaan? En als het onvoorstelbare gebeurt, zijn we daar dan klaar voor? 

Deze en andere verbandhoudende vragen moeten we nu beantwoorden, vandaag. Ik ben van harte bereid de consequenties te accepteren als de beantwoording onbevredigend is, als we constateren dat het beter kan en moet. Als we ergens onze centen in moeten steken dan is het onverminderd in de bescherming van ons land, tegen water.

Met vriendelijke groet,

René Siccama Hiemstra,
voorzitter